Omzetbelasting

Omzetbelasting over deskundigenkosten moet worden vergoed aan onteigende BTW-ondernemer

De BTW over de door een onteigende gemaakte deskundigenkosten komt voor vergoeding in aanmerking, ook wanneer de onteigende een BTW-ondernemer is die belaste prestaties verricht.

Deze BTW komt, kort gezegd, niet voor aftrek door de onteigende in aanmerking omdat de diensten van de deskundigen volgens de Hoge Raad rechtstreeks en onmiddellijk samenhangen met de vrijgestelde levering van het onteigende.

Deze zaak betreft de bepaling van een onteigeningsschadeloosstelling. De onteigende exploiteerde op de peildatum een paardenpension op het onteigende en het overblijvende. De onteigenende Staat had aangevoerd dat de onteigende voor 35% van BTW vrijgestelde prestaties verricht en voor 65% prestaties die wel zijn belast met BTW. De Staat meende dat de onteigende daarom de door hem voldane BTW over de facturen van de door hem ingeschakelde deskundigen voor 35% in aftrek kon brengen. De BTW vormde naar de opvatting van de Staat daarom in zoverre geen voor vergoeding in aanmerking komende schade. De rechtbank Zeeland-West-Brabant ging daarin niet mee.

De Hoge Raad beslist dat de aan de onteigende partij in rekening gebrachte omzetbelasting voor vergoeding in aanmerking komt. De Hoge Raad – met in de zetel twee BTW-specialisten uit de belastingkamer – gaat in zijn arrest uitvoerig in op de materiële BTW-aspecten. Een ondernemer als bedoeld inart. 7 Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) kan de ter zake van juridische en andere deskundige bijstand aan hem in rekening gebrachte omzetbelasting in aftrek brengen of terugvragen, voor zover de met die bijstand verrichte diensten door hem worden gebruikt voor belaste handelingen (art. 2art. 15 lid 1 en art. 17 wet OB). Van gebruik voor belaste handelingen is in beginsel sprake wanneer de aanschaf van goederen of diensten rechtstreeks en onmiddellijk samenhangt met het verrichten van belaste handelingen. Wanneer goederen of diensten worden gebruikt voor vrijgestelde handelingen bestaat geen recht op aftrek. Aangeschafte goederen en diensten die niet toerekenbaar zijn aan belaste handelingen en ook niet aan vrijgestelde handelingen maar die rechtstreeks en onmiddellijk verband houden met de algehele onderneming, vormen algemene kosten van de onderneming en komen voor aftrek in aanmerking, in de mate waarin de ondernemer belaste handelingen verricht (HvJEU 8 februari 2007, C-435/05, ECLI:EU:C:2007:87, en HvJEU 21 februari 2013, C-104/12, ECLI:EU:C:2013:99) .

De rechtsovergang van een goed tegen betaling van een vergoeding ingevolge een vordering door of namens de overheid, geldt op grond van art. 3 lid 1, onder d, Wet OB voor de heffing van omzetbelasting als een levering van een goed. Een ondernemer wordt in dat geval geacht een belastbare handeling te verrichten. Niet in geschil is dat de rechtsovergang van het onteigende als gevolg van de onteigeningsprocedure een van omzetbelasting vrijgestelde levering van een goed is. De omzetbelasting die de bijstandverleners aan de onteigende in rekening hebben gebracht, komt dus in het geheel niet op de voet van art. 15 lid 1 Wet OB voor aftrek in aanmerking, wanneer hun diensten moeten worden geacht rechtstreeks en onmiddellijk samen te hangen met deze levering.

Voor de toepassing van art. 15 Wet OB geldt dat juridische en andere deskundige bijstand die erop is gericht de omvang van een tegenprestatie voor een levering van een goed te bepalen, wordt geacht rechtstreeks en onmiddellijk samen te hangen met die levering. Dit is niet anders ingeval het juridische en andere deskundige bijstand betreft die erop is gericht de omvang vast te stellen van de in art. 3 lid 1, onder d, Wet OB bedoelde vergoeding die een ondernemer krijgt voor de levering van een goed dat van hem wordt gevorderd door of namens de overheid.

De rechtbank heeft beslist dat de verleende deskundige bijstand betrekking heeft op de onteigeningsprocedure die zal leiden tot een voor de omzetbelasting vrijgestelde levering. Daarin ligt volgens de Hoge Raad besloten dat de aan de onteigende verleende bijstand betrekking heeft op de van omzetbelasting vrijgestelde levering van de onroerende zaak en de daarvoor te ontvangen vergoeding. De Hoge Raad schaart zich gelet op het voorgaande achter dit oordeel.

Ondanks de enigszins op de feiten toegespitste motivering (aan het slot van het arrest) lijkt de Hoge Raad hiermee een principiële uitspraak te hebben gedaan die ook van toepassing is in andere onteigeningszaken. Wel heeft de Hoge Raad, mede gelet op de andersluidende conclusie van A-G Van Oven (zie par. 4), een enigszins verrassende wending gegeven aan deze kwestie.

De Hoge Raad komt met zijn arrest bovendien impliciet terug op zijn arrest van 27 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG8814 (Den Haag/Soekhoe), waarin hij overwoog:

“3.4.1 Onderdeel IV keert zich tegen de beslissing van de rechtbank omtrent de kosten van rechtsbijstand en deskundigenbijstand in rov. 32 en het dictum. Onderdeel IVA klaagt over de toewijzing door de rechtbank van de terzake gemaakte kosten ‘in het voorkomende geval te vermeerderen met de daarover verschuldigde omzetbelasting’. Deze klacht is gegrond. Waar de rechtbank eerder (in rov. 31) als standpunt van de Gemeente vermeldde dat de gevorderde kosten ter zake van omzetbelasting niet voor vergoeding in aanmerking komen nu het een onderneming betreft, en de rechtbank voorts zonder melding te maken van enige betwisting van dit standpunt door Soekhoe overwoog (in rov. 32) dat zij, nu de kosten betrekking hebben op de door Soekhoe gedreven onderneming, aannemelijk achtte dat de meegevorderde omzetbelasting voor fiscale verrekening in aanmerking komt, behoefde nadere motivering waarom de rechtbank niettemin de bedoelde bedragen ‘in voorkomend geval te vermeerderen met de daarover verschuldigde omzetbelasting’ heeft toegewezen.”

Ook de omstandigheid dat de deskundigenkosten mede betrekking hebben op de door de onteigende te verkrijgen vergoeding die wordt toegekend voor de voortzetting van de bedrijfsactiviteiten, zoals de onteigenaar in de onderhavige zaak had aangevoerd, heeft de Hoge Raad kennelijk niet op andere gedachten gebracht.

Dit arrest is vanwege de daarin opgenomen interpretatie van de Wet OB niet alleen relevant voor de onteigeningspraktijk, maar ook voor eenieder die zich bezighoudt met (omzet)belastingheffing. Aangenomen mag worden dat de Belastingdienst met dit arrest in de hand voortaan het standpunt zal innemen dat onteigenden die BTW-ondernemer zijn de BTW over de door hen gemaakte deskundigenkosten niet in aftrek mogen brengen. Een procedure over deze vraag bij de belastingrechter lijkt de onteigende zich vanwege de duidelijke bewoordingen van de Hoge Raad (en de hiervoor al vermelde samenstelling van de zetel) te kunnen besparen. Het is tot nu toe overigens geen gangbare praktijk dat de Belastingdienst de aftrek van de over de deskundigenkosten betaalde BTW weigert (zie de bijdrage van Bas ten Kate op onteigeningsblog over dit arrest).

De Staat is in cassatie bijgestaan door Martijn Scheltema en de auteur en in feitelijke instantie door Alrik Bijkerk en Bas ten Kate.

Bron: Cassatieblog

BTW-vrijstelling ook voor niet-BIG-geregistreerde beroepsbeoefenaren

Gezondheidskundige verzorging is btw-vrijgesteld als de werkzaamheden worden uitgevoerd door een beroepsbeoefenaar met een BIG-registratie. Als gevolg van een arrest van de Hoge Raad mogen niet-BIG-geregistreerden eveneens een beroep doen op btw-vrijstelling, mits zij kwalitatief soortgelijke diensten verrichten.

Bron: Recht.nl

Bij fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting is moedermaatschappij gerechtigd tot terugbetaling belasting

Art. 15 lid 1 Wet op de vennootschapsbelasting 1969 bepaalt dat bij een fiscale eenheid in de zin van die wet de belasting wordt geheven bij de moedermaatschappij. Deze bepaling brengt mee dat de moedermaatschappij ook de gerechtigde is tot een eventuele terugbetaling van die belasting, en dat het derhalve de moedermaatschappij is aan wie de vordering terzake toekomt.

Dat betekent dat een cessie van (een deel van) deze vordering niet door de curator van de dochtermaatschappij op de voet van art. 42 Fw kan worden vernietigd.

Feiten

Enig bestuurder en enig aandeelhouder van A B.V. is B B.V. (hierna te noemen: de moedermaatschappij). Tussen A B.V. en de moedermaatschappij heeft vanaf 2001 een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting (Vpb) bestaan. In de jaren 2001 en 2002 heeft A B.V. winst gemaakt, waarover Vpb is betaald. In het jaar 2003 is daarentegen verlies geleden. Dit verlies deed een aanspraak ontstaan op teruggave van een gedeelte van eerder voldane Vpb. Er werd in juli 2005 aangenomen dat het te ontvangen bedrag € 94.519,- zou bedragen. Bij vonnis van 13 oktober 2006 is het faillissement uitgesproken van A B.V.

Eiseressen tot cassatie hadden vóór juli 2005 werkzaamheden verricht voor A B.V. en de moedermaatschappij – eiseres 1 als accountant, eiseres 2 als advocaat –, waarvoor zij nog geen betaling hadden ontvangen. Op 11 juli 2005 is namens A B.V. en eiseres 2 en op 13 juli 2005 namens eiseres 1 een akte van cessie ondertekend, waarin onder meer is opgenomen dat A B.V. een deel van haar hiervoor genoemde vordering op de Belastingdienst (€ 69.519,-) alsmede de eventueel verschuldigde rente overdraagt aan eiseres 1, onder de voorwaarde dat eiseres 1 van dit bedrag € 44.519,- alsmede de eventueel verschuldigde rente terugbetaalt aan A B.V. op een door A B.V. aan te wijzen bankrekening en dat A B.V. het restant van haar vordering op de Belastingdienst, zijnde € 25.000,- overdraagt aan eiseres 2. Partijen hebben de Belastingdienst mededeling gedaan van deze akte van cessie.

Op 27 oktober 2005 heeft de Belastingdienst bedragen van € 6.533,- en € 66.759,- overgemaakt op de rekening van eiseres 1, met de omschrijvingen “[…] moedermaatschappij.”, respectievelijk […] moedermaatschappij.” Deze betalingen waren voorafgegaan door een aankondiging daarvan op 27 september 2005 gericht aan de moedermaatschappij. De bij de betalingen vermelde omschrijvingen betreffen verliesverrekeningscodes waarbij aan de moedermaatschappij wordt gerefereerd. Eiseres 1 heeft van de ontvangen bedragen € 25.000,- aan eiseres 2 doorbetaald met de omschrijving “jouw deel van de cessie”. Eiseres 1 heeft voorts een bedrag van € 20.537,- aan eiseres 2 betaald met de omschrijving “voor [betrokkene 1], restant cessie, zie brief”. Daarnaast heeft zij aan de Belastingdienst de bedragen € 2.672,- en € 83,- voldaan onder de vermelding “A B.V.”. Op 12 juni 2009 heeft de curator op de voet van art. 42 Fw de cessie door een buitengerechtelijke verklaring jegens eiseres 1 vernietigd.

Ervan uitgaande dat de vordering tot teruggave van Vpb aan A B.V. heeft toebehoord, vordert de curator van A B.V. – voor zover in cassatie nog van belang –, dat voor recht wordt verklaard dat de cessie door de curator terecht op de voet van art. 42 Fw is vernietigd. Verder vordert hij eiseres 1 en eiseres 2 te veroordelen tot betaling van zekere geldbedragen. Als grondslagen voor de vorderingen voert de curator aan dat de cessie als paulianeus verricht in aanmerking komt voor vernietiging op de voet van art. 42 Fw en dat eiseressen met het doen plaatsvinden van de cessie bovendien onrechtmatig jegens de crediteuren van A B.V. hebben gehandeld. Eiseressen hebben zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering op de Belastingdienst inzake de teruggaaf van de Vpb een vordering was die niet aan A B.V. maar aan de moedermaatschappij toekwam en dat de vermelding van A B.V. als cedent in de cessieakte op een vergissing berust.

Oordelen rechtbank en hof

Zowel rechtbank Rotterdam als hof Den Haag oordelen dat de vordering tot teruggave van de Vpb aan A B.V. heeft toebehoord en dat de curator de cessie terecht op de voet van art. 42 Fw heeft vernietigd. Met betrekking tot het primaire verweer van eiseressen heeft het hof vooropgesteld dat de Wet Vpb en de Invorderingswet geen bepalingen bevatten die voorschrijven aan welke van de tot een fiscale eenheid behorende rechtspersonen de vordering tot teruggave Vpb toekomt. In verband hiermee heeft het hof de beslissing die in HR 14 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9246, is gegeven met betrekking tot de teruggave van teveel betaalde omzetbelasting ingeval deze is voldaan door een fiscale eenheid in de zin van de Wet op de omzetbelasting, analoog toegepast. Daaruit volgt volgens het hof dat de teruggave van Vpb kan plaatsvinden aan die vennootschap binnen de fiscale eenheid die materieel aan de vordering heeft bijgedragen. Die vennootschap is in dit geval A B.V., zodat de vordering tot teruggave van de Vpb aan die vennootschap toekwam, aldus het hof.

Cassatie

In cassatie klagen eiseressen dat het hof heeft miskend dat indien sprake is van een fiscale eenheid voor de Vpb, op grond van art. 15 lid 1 Wet Vpb de belasting uitsluitend wordt geheven bij de moedermaatschappij, en dat het ook de moedermaatschappij is die de rechthebbende is met betrekking tot de vordering tot teruggave. Deze klacht slaagt. De Hoge Raad oordeelt in rov. 3.4.2:

“Art. 15 lid 1 Wet op de vennootschapsbelasting 1969 bepaalt dat bij een fiscale eenheid in de zin van die wet de belasting wordt geheven bij de moedermaatschappij. Deze bepaling brengt mee dat de moedermaatschappij ook de gerechtigde is tot een eventuele terugbetaling van die belasting, en dat het derhalve de moedermaatschappij is aan wie de vordering terzake toekomt. Het oordeel van het hof dat de wet geen bepaling bevat die voorschrijft aan welke maatschappij van de fiscale eenheid moet worden terugbetaald, is dus onjuist.”

Ook de klacht gericht tegen de vaststelling van het hof dat de Belastingdienst ervan is uitgegaan dat de vordering tot terugbetaling aan A B.V. toekwam, nu zij de vordering op haar op grond van de cessie heeft uitbetaald aan eiseres 1, slaagt. Uit de vaststaande feiten van deze zaak blijkt dat de Belastingdienst onmiskenbaar de moedermaatschappij heeft aangemerkt als gerechtigde tot betaling. De vaststelling van het hof is derhalve onbegrijpelijk, aldus de Hoge Raad.

Aan de klachten van eiseressen gericht tegen het oordeel van het hof dat het bewerkstelligen van de cessie paulianeus/onrechtmatig handelen van eiseressen is geweest, komt de Hoge Raad niet meer toe. Anders dan A-G Wuisman in zijn conclusie voor deze zaak voorstelde, beslecht de Hoge Raad de zaak niet zelf door de vorderingen van de curator geheel af te wijzen. De Hoge Raad verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het gerechtshof Amsterdam.

Bron: Cassatieblog

Fiscus heeft duizenden deals met multinationals

Dit blijkt uit het overzicht van zogeheten fiscale rulings dat staatssecretaris Eric Wiebes van Financiën naar de TAXE-commissie uit het Europees Parlement heeft gestuurd. Deze speciale commissie doet onderzoek in de Europese Unie naar misbruik van de praktijk waarbij belastingdiensten vooraf helderheid verschaffen over belastingheffing en interpretatie van daarvoor relevante bedrijfsgegevens.

LuxLeaks

Het Europees Parlement heeft de commissie in februari ingesteld, nadat uit het LuxLeaks-schandaal was gebleken dat bedrijven overeenkomsten met Luxemburg hadden gesloten om belastingen te ontwijken. Voor Amazon en Fiat wordt nader onderzocht of hierbij wetten of Europese regels zijn overtreden.

In het overzicht van de Nederlandse rulings valt op dat er in de periode 2001 tot en met 2005 duidelijk minder belastingovereenkomsten zijn gesloten dan in andere jaren. Wat verder opvalt is dat rond de eeuwwisseling veel verzoeken om zo’n overeenkomst zijn afgewezen.

De Tweede Kamer heeft Wiebes in een motie opgeroepen volledig mee te werken aan het onderzoek van de commissie, die onder leiding staat van de Franse Europarlementariër Alain Lamassoure. De commissie was anderhalve week geleden in Nederland en vroeg de staatssecretaris toen onder meer om een overzicht van de gesloten rulings en de uitwisseling van informatie hierover met buitenlandse belastingdiensten.

Plotselinge stijging

Nederland heeft in 2014 ruim 330.000 keer belastinginformatie uitgewisseld met andere EU-landen. Dat is een forse en plotselinge stijging ten opzichte van de jaren daarvoor. Tussen 2010 en 2013 varieerde het aantal informatie-uitwisselingen tussen de 150.000 en 192.000 keer. De toename in 2014 kwam bijna volledig voor rekening van Duitsland, dat in dat jaar aan kop ging met iets meer dan 172.000 uitwisselingen.

België is een ander land waarmee Nederland relatief veel belastinginformatie uitwisselt, gevolgd door Frankrijk. Dat gebeurt opvallend weinig met het Verenigd Koninkrijk. In 2014 slechts 41 keer en in 2012 zelfs maar 2 keer.

Voortrekkersrol

Wiebes schrijft in een begeleidende brief aan commissievoorzitter Lamassoure dat Nederland een voortrekkersrol wil spelen in het vergroten van de transparantie bij de aanpak van belastingontwijking. Nederland wordt vaak in één adem genoemd met Luxemburg, België, Ierland en Zwitserland als aantrekkelijke land voor multinationals om belasting te ontwijken. Hierbij maken deze bedrijven onder meer gebruik van de belastingverdragen die Nederland met meer dan 80 landen heeft gesloten. De bedoeling van die verdragen is om te voorkomen dat bedrijven twee keer belasting moeten betalen.

De staatssecretaris meldt dat in Nederland gevestigde internationale ondernemingen met een omzet van €750 mln of meer vanaf volgend jaar zullen worden verplicht een zogeheten Country by Country-rapport op te stellen. Hierin komt de verdeling van hun wereldwijde winst en de betaalde belasting te staan. Deze informatie wordt door de belastingdienst van het land waar het hoofdkantoor is gevestigd worden doorgestuurd naar de landen waar de onderneming een vestiging heeft. Binnen de Oeso en de G20 worden hierover op dit moment afspraken gemaakt.

Wiebes geeft verder aan dat Nederland het initiatief heeft genomen om in belastingverdragen met 23 ontwikkelingslanden antimisbruikbepalingen op te nemen. Ook wijst hij op de afspraak met Duitsland om rulings onderling automatisch te gaan uitwisselen. Deze afspraak moet binnenkort van kracht worden.

Bron: fd.nl

BTW-Alert voor belastingaangifte

De mouwen moeten binnenkort weer worden opgestroopt voor wie aangifte voor de BTW per kwartaal doet. Bij alles wat er als ondernemer op je af komt, is dat een klusje dat nogal eens (te) laat te binnen schiet. Tot dit jaar stuurde de Belastingdienst je een brief met een herinnering. Dat is voorbij. De Belastingdienst heeft sinds kort BTW-Alert, een app (Apple en Android, geen Windows) die je herinnert aan de BTW-aangifte. Een aantal BTW-zaken op een rij.

BTW is de belasting die je betaalt over je omzet. Je berekent de BTW in de prijs voor je goederen of diensten. Je kunt aangifte doen per jaar per maand, kwartaal of jaar. BTW die je zelf hebt betaald over zakelijke kosten mag je aftrekken. Doe je per maand aangifte, dan moet de aangifte uiterlijk ontvangen zijn op laatste dag van de maand daarna. Dus die van mei moet uiterlijk 30 juni binnen zijn. Doe je per kwartaal aangifte dan moet die over de maanden april/mei/juni uiterlijk 31 juli binnen zijn. Voor de jaaraangifte geldt als uiterste ontvangstdatum 31 maart.

Boetes
Als je te laat bent, krijg je een naheffingsaanslag en is zelfs een boete mogelijk. De Belastingdienst: “Voor het op tijd doen van aangifte geldt een coulancetermijn van 7 kalenderdagen na de uiterste aangiftedatum. Als je aangifte binnen deze termijn binnen is, krijg je geen boete. Als de aangifte later of helemaal niet binnenkomt, krijg je een boete van € 65.” Deze boetes lopen snel op als je niet of te weinig afdraagt tot een bedrag van maximaal 5278 euro en in sommige gevallen nog hoger.

Zonnepanelen
Je bent al snel verplicht aangifte van BTW te doen. Zelfs de mensen met een paar zonnepanelen op het dak die terugleveren aan het net, moeten als ondernemer BTW-aangifte doen, ten minste als ze de BTW op de aangeschafte installatie terug willen vorderen. Voor deze groep is de kleineondernemersregeling een prima route. Als je minder dan 1345 euro aan BTW moet afdragen (met zonnepanelen heb je dan bij wijze van spreken een woonwijk bedekt) dan kun je ontheffing administratieve verplichtingen aanvragen. Dan hoef je je in elk geval niet meer om de BTW te bekommeren.

Vrijgestelde branches
Maar niet elke ondernemer hoeft aangifte voor de BTW te doen. Er zijn vrijgestelde branches en bedrijfsactiviteiten zoals gezondheidszorg, financiële diensten en verzekeringen en uitvaartondernemers. (). Maar het gros van de ondernemers moet BTW-aangifte doen. Je bent ondernemer voor de BTW als je een zelfstandig bedrijf of beroep uitoefent.

Verschillende BTW-tarieven
Afhankelijk van je beroep/branche, gelden er verschillende BTW-tarieven. Het algemene tarief is 21 procent, voor sommige ondernemers geldt een 6 procentsregeling (fietsenmakers, kappers, werknemers in de bouw). Het lage tarief voor dit soort diensten stond in het nieuwe Belastingplan ter discussie, maar de BTW-verhoging is afgeblazen. Er is ook een aantal goederen waarop 6 procent wordt berekend zoals voedingsmiddelen, kunst en periodieken als kranten.

Er is zelfs een nul procent-BTW-tarief. Je berekent dan zelf geen BTW, maar je kunt de BTW die je zelf betaalt wel aftrekken als voorbelasting. Hiermee kan je te maken hebben als je zaken doet met het buitenland of bijvoorbeeld zeeschepen bevoorraadt.

Bron: De Ondernemer

Laag btw-tarief bij verbouwingen vervalt

Per 1 juli 2015 vervalt het lage btw-tarief voor verbouwingen van woningen die ouder zijn dan 2 jaar. Dat meldde de Rijksoverheid op 31 maart.  

Mensen die nog willen profiteren van het lage tarief van 6% moeten zorgen dat de werkzaamheden vóór 1 juli zijn afgerond. Het lage btw-tarief blijft wel van toepassing voor het schilderen, stukadoren en isoleren van de woning.

Bron: Eigenhuis

Belastingvlucht neemt toe

Grote Nederlandse multinationals als ASML, Randstad en Heineken profiteren steeds vaker van een fiscaal gunstige regeling in België en brengen daarom een groot deel van het eigen vermogen onder bij de zuiderburen. Eind 2013 ging het om een totaalbedrag van ruim 20 miljard euro voor negen concerns. In 2012 was dit nog 18 miljard, blijkt uit onderzoek van Het Financieele Dagblad.

De Nederlandse bedrijven profiteren van de zogeheten notionele interestaftrek, een fiscale regeling die in 2006 in België werd ingevoerd. Bedrijven mogen over hun eigen vermogen een fictieve rente berekenen die aftrekbaar is van de vennootschapsbelasting.

In februari 2013 onthulde het FD dat Nederlandse multinationals eind 2011 26 miljard euro aan eigen vermogen in België hadden ondergebracht. Het jaar erna daalde dat bedrag, om in 2013 weer toe te nemen. Cijfers over 2014 zijn nog niet bekend.

ASML
Chipmachinefabrikant ASML ontwijkt de Nederlandse belasting door gebruik te maken van een gunstige regeling in België. Onder de Belgische regeling mag een bedrijf een fictieve rente aftrekken van de belastbare winst. Volgens Zembla heeft ASML een vestiging in België om gebruik te kunnen maken van dat gunstige belastingregime. De vestiging blijkt overigens ‘niet veel meer dan een woonhuis te zijn waarvan enkel het adres wordt gebruikt om in België ingeschreven te staan’, aldus Zembla.

Bron: De Ondernemer

Belastingtip: Belastingdienst laat zich niet foppen door vriendendienst

De grens tussen een cadeautje, smeergeld en omkoping is niet altijd duidelijk. In een zaak waarover de rechter vorige week uitspraak deed, was geen sprake van strafbare feiten, maar legde de Belastingdienst toch met succes een flinke belastingclaim op.

Een manager van een bedrijf had een aannemer opdracht gegeven een huis voor eigen gebruik te bouwen. Deze aannemer bracht ruim zes ton aan de opdrachtgever in rekening. Aan kosten was de aannemer echter ruim negen ton kwijt geweest. Een verlies van drie ton (302.000 euro om precies te zijn) voor de aannemer dus. Geen slimme aannemer, of was er meer aan de hand?

Het bleek te gaan om een verdekte vorm van omkoping. Het bedrijf waar de adjunct-directeur werkte, had regelmatig grote opdrachten te vergeven aan aannemers. De aannemer had er dus belang bij de manager als privépersoon gunstig te stemmen. De rechtbank achtte bewezen dat de aannemer genoegen nam met een verlies van drie ton bij de bouw van het huis in de verwachting dat hij in ruil een aantal opdrachten zou krijgen.

De Belastingdienst verhoogde het belastbaar inkomen van de manager in het jaar van oplevering met drie ton. De Belastingdienst beschouwt deze impliciete belofte opdrachten te gunnen namelijk als een economische activiteit die valt onder de post ‘resultaat uit overige werkzaamheden’, dat wordt belast in box 1. Waarover de manager nu alsnog het marginale belastingtarief moet betalen.

Bron: Z24

Belastingen: Wat verandert er in 2015 voor ondernemers en werkgevers?

In 2015 verandert een aantal belastingregels. Daarnaast zijn er voorstellen om belastingregels aan te passen. Deze voorstellen worden pas definitief als de Eerste Kamer er in december mee instemt.

In 2015 verandert een aantal belastingregels. Daarnaast zijn er voorstellen om belastingregels aan te passen. Deze voorstellen worden pas definitief als de Eerste Kamer er in december mee instemt. Wilt u meer weten over deze maatregelen? Kijk dan op www.rijksoverheid.nl of www.rijksfinancien.nl. U kunt ook het Belastingplan 2015 downloaden.

Begin 2015 staan de aangepaste belastingregels op de site van de Belastingdienst.

Laag btw-tarief voor arbeidsloon bij renovatie en herstel van woningen verlengd tot 1 juli 2015
Als u werk verricht aan bestaande woningen (ouder dan 2 jaar), dan blijft het lage btw-tarief van 6% over het arbeidsloon nog een half jaar langer gelden. Vanaf 1 juli 2015 geldt weer het tarief van 21%.

Btw-vrijstelling voor zorg ook voor winst beogende instellingen
Er geldt een btw-vrijstelling voor het verplegen en verzorgen van personen in inrichtingen zonder winstoogmerk. Met ingang van 1 januari 2015 geldt deze vrijstelling ook voor inrichtingen met winstoogmerk.

Verplichting btw-uitbetaling op rekeningnummer van de ondernemer vervalt
Vanaf 1 januari 2015 vervalt de verplichting dat wij uw btw-teruggaaf op uw rekeningnummer moeten uitbetalen. Wij mogen deze teruggaaf dus ook uitbetalen op een ander bankrekeningnummer, bijvoorbeeld het rekeningnummer van een gelieerde vennootschap.

Wijziging plaats van dienst bij digitale diensten en mini One Stop Shop-regeling
Vanaf 1 januari 2015 zijn digitale diensten aan particulieren belast in het land waar die particulier woont. Om te voorkomen dat u zich in elke EU-lidstaat waar u digitale diensten levert, moet registreren, wordt de mini One Stop Shop-regeling (MOSS) ingevoerd. Hiermee kunt u de btw over de geleverde diensten aan particulieren aangeven via 1 lidstaat van de EU. Meer informatie vindt u bij Wijziging in digitale diensten vanaf 2015.

Veranderingen voor werkgevers
Alle veranderingen voor werkgevers leest u in de Nieuwsbrief Loonheffingen 2015. In de nieuwsbrief vindt u onder meer informatie over:
• veranderingen in de werkkostenregeling
• veranderingen in de gebruikelijkloonregeling voor aanmerkelijkbelanghouders
• veranderingen in de aangifte loonheffingen

Vanaf 2015 is de werkkostenregeling verplicht voor alle werkgevers. Meer informatie over de werkkostenregeling kunt u ook vinden op www.belastingdienst.nl/wkr.

Bron: Elsevierfiscaal

Nieuw besluit voor de omzetbelasting en overdrachtsbelasting over de verkoop van woningen of de vestiging van een beperkt zakelijk recht op woningen die met korting worden verkocht

Op 23 september is een nieuw besluit gepubliceerd in de Staatscourant.

In het besluit zijn onder andere de volgende voorwaarden vervallen:

  • De woning mocht nog niet in gebruik zijn genomen voordat deze was verkocht of het zakelijk recht erop was gevestigd (zie onderdeel 2.1 in het besluit).
  • De ondernemer moest de woning of het beperkt zakelijk recht dat hij voor minder dan de marktwaarde had verkocht, terugkopen of kunnen terugkopen (zie onderdeel 2.1 in het besluit).

    Een volledig overzicht van alle wijzigingen leest u in het Besluit van 11 september 2014, nr. BLKB2014/112M.

Bron: Belastingdienst